Zondag 20 februari 2022, Gereformeerde Kerk ’s Gravenmoer, zondag 27 februari 2022, Bethlehemkerk Scharendijke en Pauluskerk Lisse, zondag 6 maart 2022, Vredeskerk Den Helder & zondag 13 maart 2022, Gereformeerde Kerk Woubrugge

Preek naar aanleiding van Genesis 12:10-13:11 en Filippenzen 2:1-13 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 20 februari 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te ’s Gravenmoer, op zondag 27 februari 2022 om 10.00 uur in de Bethlehemkerk te Scharendijke van de Protestantse Gemeente Schouwen aan Zee en om 19.00 uur in de Pauluskerk te Lisse van de Protestantse Gemeente Lisse, op zondag 6 maart 2022 om 10.00 uur in de Vredeskerk te Den Helder en op zondag 13 maart 2022 om 9.30 uur in de Gereformeerde Kerk te Woubrugge

Gemeente,

In de filosofie, de retorica en theorievorming over gespreksvoering is een ‘regel’ terug te vinden die lezer(e)s(sen) en sprekers kan helpen bij het interpreteren van een tekst of gesproken taal. Ik doel op het ‘liefdadigheidsprincipe’, waarbij je de statements van een spreker voor redelijk houdt en die je in de interpretatie ervan op hun best neemt en in geval van een argumentatie op hun sterkst ‘leest’. De interpreet weerspreekt een statement niet, gaat er niet over in discussie, valt het niet af, maar probeert het statement allereerst zo duidelijk mogelijk voor het voetlicht te brengen en bij te vallen. Op die liefdadige wijze gaan we ook de perikoop uit Genesis benaderen.

Hoofdstuk 12 van het boek Genesis begint met een familieportret, dat antwoord geeft op vragen van joodse kinderen naar hun specifieke voorgeslacht en meer in het algemeen op vragen naar de komaf van de mens, hoe zij is ontstaan en uitgegroeid tot een familie, stam, volk en mensheid. Voor de beschrijving van dat ontstaans- en groeiproces hadden de auteurs een oud en gewaardeerd mythologisch verslag in hun tekst verweven dat de status zou krijgen van een geliefd volksverhaal, waarin de algemene inzichten werden verwoord over menselijk gedrag in relatie tot God en diens vermeende bedoelingen met mens en wereld.

Abram doet een poging zijn toekomst veilig te stellen en illustreert in zijn handelwijze de tweeledige structuur van het mens-zijn. De Abramitische mens is een nomade die leeft in het heden, met z’n opgeslagen tent als bestaanszekerheid, en beweegt zich al reizende naar een toekomst die hij zelf al wel voorzien had, maar waarvan hij niet wist hoe die uit ging pakken. Sarai en Abram hebben de zegen ontvangen en zijn als aartsmoeder en aartsvader op weg naar een onbekend land, waar een vreemde koning de scepter zwaait. Abram heeft keuzes gemaakt, een onderneming in gang gezet, goedkeuring gekregen voor zijn ‘bedrijfsplan’ en gaat nu alles in het werk stellen om dat te realiseren. Hij gaat de zegen ‘uitwerken’, probeert de slagingskans ervan te vergroten. Het diepe vertrouwen waarmee hij zijn levensweg aanving en de stadia waarmee hij zijn leven doorliep, komen, nu hij met een andere cultuur kennismaakt, op losse schroeven te staan.

Oog in oog met andere denkwijzen en gebruiken is Abram uit z’n ‘comfortzone’ en gelooft hij niet meer zo rotsvast in de voorspoed die hem is toegezegd. In een act van ongeloof, een proeve van zwakheid wordt hij als door een tegenlicht verblind en brengt Sarai’s leven in gevaar. De patriarch van het Oude Testament wordt een bange man en in die angst neemt hij voorzorgsmaatregelen en is hij uit op eigen voordeel om zijn toekomst veilig te stellen.

Als je vanuit de 21e eeuw naar de schets van Abrams handelen kijkt, dan kan dat heel vanzelfsprekend en herkenbaar lijken. Op tal van terreinen – ik denk aan de psychologie, de hulpverlening en de levenskunst – wordt de gedachte van zelfcontrole gepromoot. Allerlei adviezen, initiatieven en interventies zijn erop gericht te stimuleren dat een mens ‘bewust’ leeft, zelf vorm geeft aan het leven, ‘erbij is’, zodat je eigen leven je niet door de vingers glipt. Die moderne westerse waarden van zelfaffirmatie en autonomie waren de gelovige, waar Abram model voor stond, in beginsel vreemd. Als er een boodschap is die dit verhaal wil uittekenen, dan is het het contrast tussen geloof en ongeloof of liever wat het betekent te geloven. Met een leugentje om bestwil wil Abram de kloof dichten tussen de tegenstellingen in het bestaan namelijk, die tussen leven en dood, de feminiene en masculiene kant van de mens, welvaart en tegenslag. Abram wil die tegenstellingen graag voor zijn.

Het gat tussen die polen echter, is precies het gat waarin de gelovige mag staan en waarin zij of hij het moet hebben van geloof. Als het een mens, zoals Abram in het verhaal, ontbreekt aan geloof kan zij in een soort paniekreactie allerlei uitspraken doen en activiteiten ondernemen om een verschil zo dicht te timmeren dat er niets meer kan doorkieren. Het idee van ‘alles onder controle hebben’, zou een gelovige Hebreeër doorgeslagen vinden, omdat een mens dan geen openingen meer biedt die vragen om een houding van geloof. In dit verband is er een belangrijk woordpaar dat het hele Oude Testament doortrekt en dat ook bepalend is voor het godsbeeld en het mensbeeld in onze tekst namelijk, dat van chesed en emed.

Het woord chesed betekent ‘genade’ of ‘bestendige liefde’ en duidt op stabiliteit en de verbondstrouw tussen mens en God. Emed staat voor waarheid. Zij vormen twee kanten van dezelfde medaille: het zijn eigenschappen die aan God worden toegekend en die moeten voorkomen dat de mens in een levenshouding van ongeloof haar of zijn toekomst zeker wil stellen.

Want, die toekomst zeker willen stellen, volstaat dat om als mens te leven? Een Jood zou die vraag negatief hebben beantwoord vanuit de overtuiging dat een mens een niet al te gevestigd bestaan leidt. Hij leeft van weinig, bouwt geen complete koninkrijken, staat klaar om zijn tent vandaag nog af te breken en weer verder te reizen. De gelovige jood verlaat zich op een oerintuïtie en leeft los. Je ziet die instelling terugkeren in de Joodse levensstijl die een antipathie heeft ten aanzien van ‘bewaren en oppotten’ en die leeg wil maken en ruimte scheppen. Ik denk in het bijzonder aan het vieren van Pesach, het Joodse paasfeest, dat symbool staat voor ‘het ongerezen, ongegiste leven’. Chesed en emed staan garant voor ‘een juist midden’, waarin je het als gelovige uithoudt met het streven naar autonomie, hartstochten die soms moeilijk te beheersen zijn, grenzen waar een gelovige tegenaan kan lopen en het voeren van competitie in haar verhouding tot de medemens.

Voor Abram hield geloof in dat hij niet kon terugvallen op eigen slimheid en zich ‘in den vreemde’ over diende te geven aan andermans leiding. Abram zal ‘de kunst van het loslaten’ uiteindelijk leren en Sarai door zijn vermetelheid toch niet tot een lotgeval maken. Want als hij op een tweesprong staat en groot profijt kan hebben door zelf het voortouw te nemen en zich als eerste een stuk land toe te eigenen, laat hij zijn eigen belangen varen. Lot als eerste te laten kiezen en hem voor te laten gaan kun je als een daad van geloof lezen. Nu Lot een rijke en vruchtbare vlakte uitzoekt, blijft voor Abram de westelijke helft van Palestina over: een bergrug en een zeekust. Later worden de verhoudingen weer omgedraaid. Lots toekomst ziet er veel minder rooskleurig uit dan op het eerste gezicht leek. Zijn eerste keus wordt in twijfel getrokken.

Het thema of liever ‘de religieuze moraal’ die in de eerste tekst centraal staat en ook doorklinkt in de brief van Paulus, is dat wie zich gelovig verhoudt tot een nieuwe werkelijkheid soms een stapje terug mag doen. De gemeente waartoe Paulus zich in de brief aan de Filippenzen richt, heeft een andere ordening dan de joodse geloofsgemeenschap en heeft daarom Paulus’ aansporingen nodig om de verhoudingen binnen de gemeente te herstellen. De brief is een proeve van gemeenteopbouw. De verhoudingen in Filippi waren scheefgegroeid, doordat te vaak een kleine kern het voortouw nam en bepaalde mensen niet uit de verf kwamen. Christus is voor Paulus het prototype van de ideale mens, zijn favoriete voorbeeld en rolmodel voor het mens-zijn. Die mens is een paspop waarnaar Paulus de gemeente modelleert en haar gewaad passend maakt. Hij beschrijft houdingen die deze godmens aanneemt, die in dienst staan van herstel. Een voorbeeld van een dergelijke houding is afstand te nemen van ‘succes’ en de weigering om van gunstige resultaten te profiteren. En in die act is een mens bijna goddelijk. Mens-zijn? Dan groots!

Paulus is zo in de wolken van die meesterlijke zet, dat hij haar bezingt in een christologische hymne die in twee coupletten uiteenvalt. In het eerste couplet heft hij een loflied aan op de ontlediging. Je ontdoet je van jezelf, doet afstand van invloed, bent afwezig, geeft iets op en dan kun je ‘werelds gezien’ flink omlaag kelderen. Dieper kun je soms niet zinken en lijkt alles voor je verloren. Een existentieel nulpunt is bereikt. En dan komt ‘hemels gesproken’ het tweede couplet: de verhoging. Want lang zal de mens leven in de gloria. Dit is precies de zet waardoor de mens op de religieuze ranglijst met stip stijgt naar nummer één.

De ideale mens is er voor Paulus één die de eigenschap en deugd van het opgeven van het eigen streven in praktijk brengt. Die mens verkrijgt een goddelijke status en beantwoordt aan haar twee naturen. Het is een neergaande en opgaande beweging, waarin een mens die haar of zijn eigen belangen goed kent en zichzelf weet te verkopen zich kan oefenen, om op die wijze ruimte te creëren voor een ander.

Amen