Zondag 8 mei 2022, De Brasserie Het Zonnehuis Zonnehuisgroep Vlaardingen, zondag 15 mei 2022, Pietermankerk Zwijndrecht & zondag 22 mei 2022, Oecumenische Vereniging de Zendingskerk Ermelo

Preek naar aanleiding van Ruth 2:1-17 en Matteüs 12:1-9 uit de Naardense Bijbel voor de kerkdienst op zondag 8 mei 2022 om 10.15 uur in De Brasserie van Het Zonnehuis binnen de Zonnehuisgroep Vlaardingen, op zondag 15 mei 2022 om 9.00 uur in de Pietermankerk te Zwijndrecht en op zondag 22 mei 2022 om 10.00 uur in Oecumenische Vereniging de Zendingskerk te Ermelo

Gemeente,

Het boek Ruth, of Roeth, is de tweede rol in de Tenach, de joodse bijbel. Ruth lijkt welhaast verscholen te staan tussen Rechters en Samuël. Het verhaal in het boek Ruth staat niet op zichzelf, maar vangt aan in de tijd van de rechters. Ruth is een feestrol die met het Wekenfeest, in het Hebreeuws Sjavoeot, wordt gelezen. Vanaf het begin van de oogsttijd, de Pesach-week, tellen joodse lezer(es)s(en) af en vieren op de vijftigste dag feest op een locatie in Bethlehem, dat ‘Broodhuis’ betekent.

Het boek Ruth bevat in grote lijnen een oogstverhaal. De naam Ruth betekent ‘vrouwelijke metgezel’ en Ruth doet haar naam eer aan, want of ze zich nu bij haar schoonmoeder Noömi vervoegt of bij de jonge vrouwen die bij Boaz in dienst zijn, Ruth is een reiziger, iemand die met een ander meegaat, haar of hem begeleidt. Ruth is een Moabitische vrouw die voor een Israëliet in eerste instantie een vreemdeling is. In het boek Ruth echter getuigt Ruth van de wil zich te voegen bij het joodse volk. Met dat getuigenis geeft ze ook te kennen de Thora in z’n geheel te omarmen.

Ruth en haar schoonmoeder Noömi zijn beiden weduwe. Alle mannen in hun leven zijn overleden. Uitgerekend Ruth zal later de stammoeder van David worden. Maar eer het zover is, moet de liefde in gang worden gezet. En dus speelt schoonmoeder Noömi op de achtergrond de rol van regisseuse. Zij is de persoon die vanachter de schermen relaties en arbeidgerelateerde zaken vormgeeft.

Wanneer wij Ruth twee vers een tot zeventien lezen, dan lezen we een dagboekfragment dat als titel heeft meegekregen “Een dag op het veld”, zoals je kunt berichten over een werkdag en de bijzondere voorvallen die zich daarop hebben voorgedaan. Ruth heeft het recht achter de maaiers aren te lezen en maakt van dat recht gebruik. Ruth leidt een buitenleven. Ze is niet iemand die in de huiselijke sfeer tot haar recht komt en rust niet voordat er, letterlijk, brood op de plank komt. Ruth wordt kostwinner, een eenverdiener die na de dood van haar geliefde niet de hort op gaat, achter de jongens aan die bij Boaz in dienst zijn, maar zich mengt bij de jonge vrouwen die eveneens bij Boaz werkzaam zijn. Ze legt zich toe op de voedselvoorziening voor zichzelf en Noömi, sprokkelt dagelijks haar kostje bij elkaar. De emancipatie van Ruth vormt een belangrijke sociale kracht: zij neemt deel aan maatschappelijke arbeid.

Ruth is niet onopgemerkt gebleven. Boaz, die jegens Ruth familieverplichtingen heeft, heeft zijn oog op haar laten vallen. De overleden echtgenoot van Ruth was familie van Boaz en op basis van die verhouding als naaste familielid heeft Boaz de plicht Ruth te huwen en voor nageslacht te zorgen. Deze familieplicht vormde een sociale regeling in ‘Israëls verzorgingsstaat’, een vangnet en te vervullen belofte om wie in sociale zin statusverlies zou lijden alsnog toekomst te geven. Maar dat is niet de manier waarop Boaz naar Ruth kijkt: hij beschouwt haar niet primair als een kinderloze weduwe die voor hem een potentiële huwelijkspartner vormt. Hij beschouwt haar evenmin als een vreemdelinge, maar als iemand die de moed en daadkracht had zich tot een cultuur te wenden die zij voorheen niet kende. En dat is de pointe van het betoog van de auteur: er kan pas iets nieuws ontstaan wanneer mensen met hun tradities breken. Ruth doet dat door haar geboorteland te verlaten en te integreren in een onbekende cultuur. Boaz door niet te gehoorzamen aan traditionele, ongeschreven regels.

Om te begrijpen met welk mechanisme Boaz breekt, schets ik kort een voorgeschiedenis. De Moabieten waren een aan Israël vijandig volk. Toen het volk Israël door de woestijn trok op zoek naar een eigen gebied, onthielden de Moabieten hen water en brood conform een regel onder nomaden. Vervolgens werd er een bepaling in de Thora opgenomen dat zolang het joodse volk leefde het nimmer vrede en het goede voor de Moabieten moest zoeken. Boaz zet deze vorm van wraak zelf op z’n nummer. Boaz overwint de vooroordelen die hij wellicht had wanneer hij ziet hoe trouw Ruth is jegens haar schoonmoeder Noömi, die gevlucht was vanwege een hongersnood. Ruth belichaamt de openbaring. Zij is de verrassende ontdekking die Boaz doet, de correctie op de wetsclausule. Als Boaz door Ruths optreden íets heeft begrepen, dan is het dat er een voorschrift is dat alle wetten te boven gaat en dat is: de liefde. Boaz is krachtig, doortastend en viriel. Hij neemt de rol van losser op zich. Door Ruth te huwen, verbindt hij zich een leven lang met een persoon. En op die wijze eindigt het verhaal Ruth met een huwelijk tussen een Moabitische vrouw en een Israëlitische man.

Ook Matteüs twaalf vers een tot negen wordt gemotiveerd door het verschil tussen banden die gebaseerd zijn op affectie als drijvende kracht en de instandhouding van structuren op basis van gewoonten. De eerste negen verzen van Matteüs twaalf bevatten een verhaal dat de rigiditeit thematiseert die tot uiting komt in het vasthouden aan de wet die samenhangt met de sabbat. Er waren vormen van arbeid, zoals oogsten, waarvoor op de sabbat een verbod gold. De farizeeën zagen het plukken van graan als een vorm van oogsten. Nu kent de auteur van het Matteüsevangelie zijn joodse bronnen. Hij heeft veel van het Oude Testament geërfd en heeft weet van geschriften buiten de Hebreeuwse bijbel. Met die voorkennis laat hij Jezus de invloedssfeer van de farizeeën betreden door hem de synagoge te laten binnengaan. Met zijn onderwijs richt de auteur zich via Jezus tegen een concentratie op de wet. In de dialoog die hij opzet, confronteert hij de farizeeën met een nieuwe didactiek, die uitgaat van ruimdenkendheid op basis van sociale zin als vervulling van de wet.

Welke invloed hadden de wetsbepalingen nu op het idee van de sabbat? De sabbat is een woord dat ‘ophouden’ betekent, je arbeiden en bedrijvigheid staken, met als doel bevrijd te worden van enige vorm van slavernij en jezelf rust te gunnen. Dat kan op ieder moment. De sabbat is niet voorbehouden aan een dag. Maar in plaats van dat wetgeving ten dienste stond van de vervulling van menselijke behoeftes, leken ‘wetsbeijveraars’ de bepalingen zelf van belang te vinden. Zij spiegelden een gebruik dat omwille van het gebruik zelf in stand werd gehouden, zelfs al belette de naleving ervan de honger van menig mens te stillen. Wetten waren in plaats van instrumenten doelen op zich geworden. Matteüs twaalf vers een tot negen is dus ook een verhaal over onbegrip en groeiende weerstand van wetsdenkers tegenover religieus anarchisme. Het religieus anarchisme dat Jezus en de discipelen voorstaan, wordt gevoed door de centrale gedachte dat God heerst. Dat God heerst wil zeggen, in staat zijn te begrijpen wat het doel is van een wet en die wet tussen haken te plaatsen als het de behoeften van mensen frustreert. Ook op de sabbat staat compassievol handelen centraal. De wet? Die staat in je hart geschreven, en toch, aldus de auteur, is begrip van sociale situaties waarin tegemoet wordt gekomen aan de fysieke en psychologische noden en verlangens van concrete individuen belangrijker dan het volgen van rituelen. Rituelen stellen zelf ‘weinig’ voor. Het zijn herhalingen die in het teken staan van iets anders.

Onze wereld staat vermoedelijk ver af van de arenlezers die de achtergebleven korenaren na de oogst bijeenzamelen. Wij plukken geen graan langs de randen van een akker. Ook zijn we wellicht geen wetslezers die zich bezighouden met het interpreteren en handhaven van wetten. Wij zijn echter wel mensen die zoeken, vinden, oprapen, verzamelen, recyclen en leven van het nalatenschap van anderen. Wij lezen en interpreteren teksten, elkaar en situaties, spellen woorden uit, herlezen en worden op die wijze bij onszelf bepaald.

Het kan gebeuren dat je niet begrijpt hoe een enkele mens in je bestaan komt, maar dat uitgerekend deze mens je redt van patronen en een leven dat omringd wordt door allerlei ge- en verboden. Of dat je in de stappen die je zet je omgeving zo beïnvloedt dat mensen erdoor groeien. Het aanbreken van het hemelse koninkrijk kan betekenen regelgeving in het licht van nieuwe ontwikkelingen bij te stellen of met losse structuren te werken. Dan neem je deel aan een nieuwe manier van denken en doen die zowel je geestelijke, intellectuele als existentiële honger stilt en wordt Gods rijk hersteld.

Amen

Oosterlichtkerk Huizen, 29 april 2018

Preek naar aanleiding van 1 Koningen 3:5-12 en Matteüs 13:44-52 uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 29 april 2018 om 10.00 uur in de Oosterlichtkerk te Huizen

Gemeente,

In de zeventiende eeuw discussieerden de filosofen Thomas Hobbes en John Locke over de vraag naar politieke autoriteit, legitimiteit en verplichting. Wie zou het recht hebben invloed uit te oefenen op de levens van anderen? Op basis waarvan? En, waarom zou een mens aan een politieke autoriteit gehoorzamen? Het zijn deze netelige kwesties die de geschiedenis zullen ingaan als de drie kernproblemen van de moderne politieke filosofie. De ‘aanstichter’ van deze hete hangijzers is het vermogen van de mens om onafhankelijk van enige autoriteit zelf te willen, te denken en te kiezen. Waarom zou een mens in die staat nog gehoorzamen aan een autoriteit die verplichtingen stelt die indruisen tegen wat een mens zelf wil?

Op een dag stond er een hovelinge naast Salomo’s bed en sjorde aan zijn kleren. Er stond een groep hipsters en yuppen aan de poort die hem een officiële brief wilden overhandigen met de vraag of hij zich verkiesbaar wilde stellen voor het koningschap. Dat koningschap had zich in de lijn der traditie via overerving geregeld – de troonopvolger besteeg de troon niet op grond van bijzondere prestaties of bewezen diensten. Het koningschap zat hem in het bloed. Die jonge grotestadsbewoners stonden te popelen de eigen impulsen in te tomen, de ongebreidelde wil bij te snoeien en over te hevelen aan Salomo die als soeverein wetten zou opstellen en opleggen. Wat dreef dit volk, wat bezielde het toch?

Zij waren allen uit de collegebanken gerold, hadden een goedbetaalde baan, maakten razendsnel carrière en hielden er een exclusieve, trendgevoelige levensstijl op na. Met al te stevig verankerde levensverbintenissen had deze categorie, generatie Y, weinig op. Men was dertiger, kinderloos en wilde zich liever niet voor de lange termijn binden. En met het voortschrijden van de jaren groeide ook het kapitaal. Bankrekeningen, zakken, zolders, voorraadkasten en schuren puilden uit. Eer mot en roest hun werk zouden doen, dieven het op hun optrekjes gemunt zouden hebben of de dood zelf zou intreden, mocht al die have en goed achter slot en grendel. Bezit vroeg om verzekering, bewaring en bescherming.

De instelling van de monarchie als zodanig was voor deze yuppen van secundair belang. Zij deden geen normatieve uitspraken over welke regeringsvorm dan ook en hielden ‘staat en religie’ gescheiden. Terwijl zij opgroeiden in een geseculariseerde wereld hadden ze de oud-oosterse opvatting van de hand gedaan dat het koningschap onderdeel uitmaakte van een sacrale orde. Mantel, kroon en staf ten spijt ontmaskerden de yuppies de status van het vorstendom als een door mensen ingestelde staatsvorm. De nadruk lag op de persoon van de koning, aan wie zij graag onderdanig waren in ruil voor de bescherming van materiële en culturele goederen. Het welslagen van de monarchie alsook de consolidatie van particulier vermogen was niet inherent aan het koningschap als instelling, maar ging samen met het gedrag van de individuele koning en dat van de yuppen. Dit was de generatie die niet meer gelooft in formeel gestructureerde organisaties binnen ‘gegeven’ maatschappelijke structuren. Ze stelde vertrouwen in zichzelf, de persoonlijke invulling van het staatshoofd en de onderlinge samenwerking.

Salomo had wijsbegeerte gestudeerd, was een honoursstudent en topatleet. Na zijn afstuderen had hij afstand gedaan van al zijn bezittingen, doneerde zijn spaarsaldo aan een liefdadigheidsfonds, knipte identiteitsdocumenten door, liftte en liep met backpack naar de hoogte van Gibeon. Salomo was op zoek naar een ‘plaats’ van waaruit hij zijn cultuur als een buitenstaander kon bekijken. Salomo had de indruk dat de cultuur waarin hij zich bewoog een amalgaam van conventies was, een set van regels en afspraken die vastgestelde lijnpatronen vormden, waarin hij zich vanaf de geboorte kon inweven. Salomo had ten aanzien van die vooraf gegeven ordeningen twee bezwaren: een, ze boden geen ruimte voor de individuele wil, en twee, de cultuur zette vooral in bij continuering, niet bij vernieuwing. Ze had zichzelf als bestemming beschouwd in plaats van als een brug. Salomo vond instandhouding een magere investering en zocht naar wegen de gedrags- en handelingsmogelijkheden van een moderne beschaving uit te breiden.

De ongerepte natuur, een woest gebied op aarde, waar de mens nog niets aan had veranderd, zou in al z’n onherbergzaamheid en ontoegankelijkheid een geschikte plaats zijn om zijn koninkrijk der hemelen verder uit te denken. De wildernis was Salomo’s broedplaats en akker. Op ijle hoogte zou Salomo Gods vertrouwde omgang vinden, die op zijn beurt in een onbewoond vertrek zou neerdalen en Salomo zou er met God van gedachten wisselen.

De tocht die Salomo naar Gibeon ondernam, had het karakter gekregen van een pelgrimage. Tijdens zijn bedevaart had hij veel onbekenden ontmoet die ook zo hun eigen privéondernemingen hadden. Devote zielen waar Gods vrees in woonde – dat zag je zo! Hoe verder hij de bergen introk, hoe meer de mensverlatenheid toenam.

Na enkele dagen – de voorraad was er doorheen en Salomo had nu ook de stomheid, de hardheid en de weinig zorgzame aard van de natuur ondervonden – ontmoette hij een jongeman in een bouwvallig huisje. Terwijl zij aan een houten tafel een bord linzensoep aten, vertelde de man dat hij er ooit nogal revolutionaire ideeën op na hield. Temidden van het Romeinse rijk had hij onverhuld en voor wie het maar wilde horen met bovenaardse verwachtingen de komst van een heel ander rijk ‘rondgebazuind’ – en proclameerde een leefmodel voor mensen die vrij van geest en vrij van hart waren. Hij had zichzelf voor ‘een geestelijk tribunaal’ gesteld en het koningschap van God verdedigd, waarmee hij elke regeringsvorm, of die nu aristocratisch, dictatoriaal, monarchisch, republikeins of democratisch was, ter discussie stelde en uitnodigde tot zelfkritiek. Zijn prediking zou hun stenen tafelen verbrijzelen, de politiek georganiseerde samenleving ondermijnen, het geautoriseerde gezag op losse schroeven zetten. Deze bliksemverkondiger zou een gevaar voor de openbare orde zijn. Polarisatie dreigde.

Hij zou als een politieke rebel worden neergezet en kreeg de status aangemeten van voortvluchtige. Een paar vrouwen hadden hem de stad uitgeholpen. In deze top van meer dan tweeduizend meter woonde hij nu al enkele jaren, hij had er zijn schat begraven en was er zijn wijsheid zat geworden. In plaats van dat hij zijn evangelie als leraar zou rondstrooien, had hij het opgespaard, verborgen, in de hoop dat een enkeling als een pupil naar hem toe zou komen. Een mens met een koffer vol levensvragen die geen uitstel dulden, en zocht naar antwoorden waar hij mee in kon stemmen en bereid was daar al het andere voor op te geven. Geen ironicus, geen relativist, maar iemand die met inzet van haar of zijn eigen leven in staat was een nieuwe tempel te bouwen, waarmee een beschaving een niet eerder betreden pad zou inslaan.

De lieveling van de heer, Nietzsches übermensch, de Neo uit de Matrix, daar zat hij dan: Salomo. Uitgeput, bescheiden, een en al oor, hongerig naar kennis, waarheid, nieuwe betekenissen en waarden, open, niet wetend wat hij doen of laten moest en met een opmerkzame geest. De jongeman deed voor de laatste keer zijn religieus-politieke programma uit de doeken.

Hij sprak tot Salomo in gelijkenissen want, zo dacht hij, levenszin laat zich niet direct meedelen. In die metaforen gaf hij aan zijn waarheid woorden die aan andere dingen toebehoorden. Die dingen – schatten, parels en sleepnetten – waren zelfstandige entiteiten, ze leiden zogezegd een eigen leven, maar wanneer hij ze als metafoor gebruikte, dan gebeurde er iets met die ‘zelfstandigheid’ van het naamwoord. Het kwam in beweging!

Wat een mens haar of zijn God noemt, die ene parel, dat levenslicht dat je ineenkeer kunt zien, waardoor de dingen in een ander perspectief worden geplaatst, en die het eigen leven veranderen, kan zich tonen en vraagt om een bepaalde manier van kijken. Salomo had van jongs af geleerd dat God niet op een bepaalde plaats woonde. God, zo was het algemene beeld, hulde zich in verborgenheid, viel niet te lokaliseren, bevond zich buiten de verstaans- en ervaringswereld van de mens, had zich van haar of hem losgezongen; de mens, die zo met Gods wezen in strijd was. Mens en God, de overeenkomst leek vaak zo ver te zoeken.

Salomo realiseerde zich dat in een cultuur zonder koning die affiniteit had met religie, verschil van inzicht al gauw door rechters zou worden beslecht. In casu geschilpunten zou een rechtbank als externe instantie een oordeel vellen. Mensen uit de bevolking zouden rechters als ‘het hoogste gezag’ zien en zich wenden tot advocaten en het discours van de jurisdictie om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. In dat geval zou de ethiek het laatste woord hebben.

Salomo droop van het zweet, hij was klaarwakker en stond pal naast zijn bed, sprong onder de douche, griste kleren bij elkaar en ging achter zijn tekentafel zitten. Hij had grootse plannen en hij zou ze als architect lijn voor lijn minutieus uittekenen. Het zou zijn religieus gemotiveerde levensproject worden: de bouw van een tempel, een gebedshuis waar mensen van heinde en verre komend hun ziel naartoe droegen, en met een bijzonder welkom voor hen die zich beroerd en berooid voelden. Dit vormde dan de concretisering van de regeringsvorm zoals hij zich die voorgesteld had. Salomo zou zijn intrededienst en de inwijding van de tempel laten samenvallen. Hij zou het feest inluiden met een gebed en er de dank van de yuppen, de chromatische pijnen van het volk en de justitiële dwalingen van rechters in meenemen. De tempeldienst, Salomo’s carrière, zou veertig jaar duren, hij zou aftakelen en er zou een einde komen aan zijn regering. Maar pro hic et nunc (vooralsnog) was dit koningsdag. Leve de koning. Halleluja!

Amen

De Wingerd Krimpen aan den IJssel, 11 maart 2018

Preek naar aanleiding van Jesaja 1:18-26 en Lucas 19:41-48 uit de Naardense Bijbel voor de viering op de vierde zondag van de veertigdagentijd op 11 maart 2018 om 10.00 uur in de protestantse gemeente De Wingerd te Krimpen aan den IJssel

Gemeente,

Het is het jaar 2018, locatie West-Europa, provincie Zuid-Holland en de profeet Jesaja schrijft het laatste deel van zijn tweeluik. Het eerste deel schreef hij voor de machthebber en agressor van zijn dagen, die in de ban was van een ongekende expansiedrift. Nietsontziend pikte de koning het ene na het andere stuk land in. Menig inwoner verloor letterlijk haar of zijn bestaansgrond. Wie de neiging had te protesteren tegen deze malafide praktijken werd resoluut gedeporteerd.

Jesaja komt uit een aristocratisch milieu en was in koninklijke, politieke en geestelijke kringen een bekende figuur. Bestuurders kwamen regelmatig bij hem om zijn advies in te winnen over deze of gene kwestie. Ook nu nog ontvangt hij e-mails waarin hij wordt geraadpleegd zijn zegje te doen over complexe besluiten. Jesaja ijsbeert dan wat in zijn appartement, gaat hardlopen of duikt in een roman om dan later een duidelijke uitspraak te kunnen doen. Vaak worden zijn adviezen opgevolgd, soms in de wind geslagen.

Jesaja houdt van cultuur: al die menselijke inspanningen ongevormde natuur om te zetten in staaltjes knap geestelijk werk. Toch is hij altijd op z’n hoede geweest voor het omslagpunt: koninkrijken die zich gaan bewapenen, hoog ontwikkelde samenlevingen die zich ontpoppen tot totalitaire regimes, regeringen die een atoomprogramma opzetten, historische dorpsfeesten die de vrijheid vieren en het slechtste in mensen naar boven roepen. Jesaja heeft zich daarom wat afgewend van de elite, zich privileges ontzegd en helpt de kansarmen van de bevolking zich te emanciperen. Vandaag de dag trekt hij veel op met werknemers uit de non-profit sector, legt zijn oor bij hen te luister en richt zich op het oplossen van praktische problemen.

In het tweede deel van Jesaja’s tweeluik liggen de zaken anders. Het zijn de handelaren, de zelfstandig ondernemers, commerciële figuren, economen en consumenten met wie hij het gesprek op twee fronten zoekt. Aan de ene kant vanwege oneerlijke handel, en aan de andere kant wegens het verlies van hele basale financiële en technische stromen voor de mens die participeert in een systeem van vraag en aanbod, waardoor zij of hij zich niet meer wijdt aan het ware, dat is het recht, het goede, dat wil zeggen de ethiek, en het schone, dat zijn de kunsten.

Ik zal de figuur Jesaja en zijn hedendaagse leefwereld schetsen om begrijpelijk te maken welk verhaal achter de tekst schuilgaat. Jesaja is kien, pienter en religieus: hij interpreteert de ontwikkelingen in zijn samenleving met een gelovig oog. Hij heeft een gedegen kennis van de geschiedenis van de natuurkunde en weet welke implicaties ontdekkingen op dat gebied hebben gehad voor zijn wereldbeeld. Tegelijkertijd zijn visioenen en openbaringen hem niet vreemd. Hij combineert verschillende tradities, invloeden en denkstijlen en weet zichzelf een ‘rijk’ mens.

Sinds enige tijd doen zich in zijn woonplaats gebeurtenissen voor en doet hij waarnemingen die de afspiegeling vormen van een verbleekte wereld. De geestelijke mens, de culturele mens, de spelende mens zo u wilt, is uit het straatbeeld verdwenen. Als hij een lokaal café binnenstapt en zin heeft in een smakelijk biertje, dan krijgt hij een slap, waterig goedje zonder schuimkraag in een beduimeld glas. Het museum waarin diverse bouwstijlen zijn verwerkt, staat er verlaten bij; de gemeente en de aannemer konden het project niet langer bekostigen. De zilveren façade die in het bouwplan stond, is betimmerd met platen hout en afgedekt met zeil dat wappert in de gure najaarswind.

Onlangs klampte een buurtbewoonster hem aan, werkloos, en de uitkeringsaanvraag die ze vijf weken geleden had ingediend, was nog in behandeling. Als Jesaja bij de kiosk een krant koopt, dan leest hij over het gekrakeel van politici met statusangst, die in plaats van een land bestendig te besturen onderling hun reputatieakkefietjes uitvechten. Van de weeromstuit slaan burgers de handen ineen en starten initiatieven om hun gevoelens van machteloosheid te sublimeren, wetende dat hun activiteit geen lange-termijn-antwoord geeft op wat er van binnen broeit. In Jesaja’s wereld schittert er niets meer. Speeltuinen liggen er desolaat bij, geen vogel die fluit, geen kind dat nog voetbalt, geen combo dat nog musiceert.

Jesaja doet de ervaring op van het verlies aan goede producten, degelijke en mooie materialen, een verarming van schoonheid, instellingen en verenigingen die hun economische huishouding niet op orde krijgen en kampen met tekorten, een gebrek aan daadkracht, mensen met grote verantwoordelijkheden die niet boven privézaken weten uit te stijgen en hun visie op het grotere verband kwijtraken. Hoogopgeleid personeel van wie hij veel verwacht als het gaat om hervormingen en die zwichten voor handige deals met symboolfiguren.

Jesaja verlangt naar een sterke, gezonde economie, een wereld waarin mensen niet angstvallig de hand op de knip houden en hun geld gaan oppotten, maar het uitgeven, spenderen. Het laten rollen van geld is voor hem niet alleen voorwaarde voor het floreren van kunst, religie en filosofie, het gebrek aan feeling met al die domeinen waardoor de menselijke geest wordt gevoed, zorgt ervoor dat de mens enkel nog terugvalt op de wereld van geld, goed en fooien. Als een samenleving daarbij blijft, vormt dat voor Jesaja een schrikbeeld: er is niet de geestdrift van mensen die creatief nieuwe dingen maken, de zekerheid dat rechten zijn gegarandeerd, de basis van goede zorg en betrouwbare maatschappelijke instellingen, de troost van godshuizen waarmee gelovigen voor de dag kunnen komen, sport en spel waarin mensen excelleren, het enthousiasme van jong talent dat waardevolle ideeën genereert, het genot van goed onderhouden parken, vaardig aangelegde tuinen en bossen, de glans van het menselijk leven zelf vindt er geen doorgang meer. Al wat een menselijk leven betekenis- en smaakvol maakt, verkommert en verpietert armzalig.

Als je als mens je vertrouwen bent verloren in sociale, financiële en politieke structuren, hoe kun je daar dan mee omgaan? Als het innerlijk leven steen voor steen wordt afgebouwd, het eigen wereldbeeld geschonden is en het er niet naar uitziet dat aan een crisistijd binnen afzienbare tijd een einde zal komen, wat kun je als mens dan doen? Zit er niet een grens aan de mate waarin je op het geestelijk leven bezuinigd, wil dat leven nog leefbaar en als het even kan vol vernuft en rijk aan geest zijn?

In veel bijbelse teksten worden de wereld van geld en God antithetisch voorgesteld. Er is de mammon en Adonai, de god van de heb en de god van het zijn, er zijn de handelaren, de bankiers enerzijds en de profeten en geestelijk leiders anderzijds, de beurs en de tempel. Jesaja’s antwoord op zijn tijd was zich terug te trekken uit de betere kringen en zich in het openbare leven in te zetten voor ‘Jan Modaal’. De Jezus in het Lucasevangelie legt een vergelijkbare strategie aan de dag: overdag geeft hij onderwijs aan de faculteit van geesteswetenschappen en s’ avonds trekt hij zich terug om alleen, in contemplatie, met zijn God te zijn. Die afzondering, het zoeken van eenzaamheid en het gesprek met ‘dat wat van buiten komt’, kan op de Olijfberg, het kan ook aan de IJsseldijk, in de stiltecoupé, de huiskamer of in de foyer van het operagebouw.

Lucas stelt Jezus voor als iemand die eerst een grote schoonmaak houdt als hij ziet dat de tempel – zijn heilige huisje – een georganiseerde markt van valuta’s en effecten is geworden. Als je iemand die vervult is van ‘Gods waar’ op stang wilt jagen, dan is dit de manier. Dit gebouw van gebed en verkondiging, toevluchtsoord voor godzoekers en gebroken mensen laten verloederen door beleggers op een aandelenmarkt.

Met het reinigen van de tempel wordt orde op zaken gesteld: eerst alles leeghalen, opruimen wat er niet thuishoort, het interieur reinigen en vervolgens de traditie in ere herstellen. Die tempel, gemeente, mag u vergelijken met uw eigen ziel!

Lucas doet echter nog iets meer dan de traditie nieuw leven inblazen. Hij introduceert een nieuw perspectief en gebruikt daarvoor de drieslag van de werkwoorden: “naderen”, “aanzien” en “binnenkomen”. Behalve dat er na handelsverkeer weer een periode van vrede en rust aanbreekt, cultiveert hij een besef van ‘het heilige’. Hij brengt tempelgangers een besef bij van een relatie die zich tussen de mens en haar of zijn God afspeelt en waar niet aan te tornen valt. Letterlijk creëert Lucas ruimte voor het idee dat God weer onder de mensen komt wonen.

De innerlijke ruimte die u en ik ervaren – een vrijplaats voor het godsgesprek – veruiterlijkt zich in een concreet kerkgebouw in een samenleving. Religieuze gebouwen krijgen in onze tijd veelal een herbestemming als wooncomplex of sportpaleis. Hetgeen een mens verbindt met wat haar of hem heilig is, vormt de drijvende kracht achter culturele activiteit, levende godsdienst en de kwaliteit van een samenleving. Dat godshuizen op den duur wellicht uit het stedelijk landschap zullen verdwijnen, is niet ondenkbaar. Uw innerlijk leven, die ‘binnenruimte’ en de dialoog die tussen u en mij plaatsvindt, vormt echter de plaats bij uitstek waar ‘het heilige’ inwoning maakt. Dat is geen vlucht naar binnen, maar noodzakelijk onderhoud om zinvol naar buiten te treden.

Amen

Gereformeerde kerk Ter Aar, 6 augustus 2017

Preek naar aanleiding van Amos 6:1-10 en Lucas 16:19-31 uit de Groene Bijbel voor de viering op de zevende zondag van de zomer op 6 augustus 2017 om 09.30 uur in de Gereformeerde kerk te Ter Aar

Gemeente,

Amos is werkzaam als boer, hij is een schapenfokker en vijgenkweker die weet wat het betekent hard te werken. Vanuit een plattelandsbestaan maakt hij een carrièreswitch naar het leven als profeet.

Tegen de achtergrond van zijn biografie zou je Amos’ gespierde taal en donderpreek kunnen begrijpen. Zorgeloosheid, zelfverzekerdheid en deel uitmaken van de elite zijn hem vreemd. Voor dag en dauw is hij al in de weer de kwaliteit van zijn vijgen te inspecteren. Hoe staat het met de groei en opbrengst van zijn vijgenstruiken? Zal hij ze aan de westkant snoeien? Gedijt dat nieuwe ras wel bij deze bodemsamenstelling? Zal de productenlijn ‘wilde vijgenjam’ wel lopen? Zal hij de schapen nog voor de zinderende hitte die is voorspeld, kunnen scheren en de wol tijdig verven zodat zijn zoon – het is toch een familiebedrijf – er giletjes en vesten van kan maken? En twee van zijn drachtige ooien staan op het punt lammeren te werpen, die vragen extra zorg. Mijn werk, hoe ga ik het vandaag weer klaarspelen?

Amos is niet zo’n zondagskind, hij moet hard voor zijn levensonderhoud werken, het komt hem niet aangewaaid. Vergelijk zijn inspanningen met het verschil qua leergemak tussen leerlingen op de middelbare school.

Amos is een calvinist avant la lettre, iemand die haarfijn weet hoezeer het welslagen van een onderneming afhangt van niet aflatende inzet. Zijn schapen en vijgen vormen een passie, een hartstocht die met lijden, offers gepaard gaat. En uitgerekend deze man verhuist naar een stedelijk oord waar het lijkt of de inwoners hun gouden eeuw al achter zich hebben. Het is teveel gevraagd Amos probleemloos te laten integreren in een samenleving die bijna haaks staat op het milieu waar hij uitkomt. Assimilatie, aanpassing aan de omgeving is een proces dat hem moeilijk afgaat. Dat het de noordelingen “wel gaat” zonder dat zij daar al te veel moeite voor hoeven te doen, is een gegeven dat Amos maar moeilijk in zijn wereldbeeld kan opnemen. Het is een bestaanswijze die hij niet in zijn verhaal kan passen en ten gevolge daarvan bij hem op ongeloof stuit.

De tekst laat zien dat verschillende werelden niet zo gemakkelijk te harmoniseren zijn en dat het een Amos in het bijzonder tijd kost te wennen, te bedaren en zich opnieuw thuis te voelen. Amos’ oog is zo gekleurd dat hij niet anders kan dan de verschijnselen die hij waarneemt met een ongunstige bijbetekenis te beschrijven. Twee voorbeelden van een dergelijke negatieve weergave vinden we in vers vijf en zeven.

Er staat: “zij verzinnen liederen bij het getokkel van de harp”, er staat niet: “zij musiceren, scheppen, componeren of spannen zich tot het uiterste in liederen samen te stellen bij het getokkel van de harp.” En in vers zeven: “hen die daar lui liggen uitgestrekt”, er staat niet vermeld: “hen die daar liggen” met als mogelijke aanvulling “uit te rusten of te ontspannen.” Amos bekijkt en beoordeelt zijn nieuwe leefomgeving niet op de eigen merites en mogelijkheden, maar benadert hem vanuit zijn oude habitat. In dat licht tekent zich een ongunstig beeld op zijn netvlies af. Zijn blik kan niet fris de wereld inkijken. En dan wordt ‘rusten’ bij Amos de arbeider al heel vlot luieren, lanterfanten, rondhangen. Bedrijvigheid, activiteit, de bezorgdheid om het levensonderhoud, dat is zijn norm en die norm bepaalt de wijze waarop hij ‘het noordelijke leven’ waarneemt.

En dus, een donderpreek, woeste woorden, ruige taal. Amos, raas uit, koel af, beheers je een beetje zou een reactie op zijn aanklacht kunnen zijn. Of zouden we Amos op z’n best mogen nemen en zien dat zijn felle speech tegen sociale en cultische uitwassen een vurig betoog tegen de onverschilligheid vormt? Onverschillig, want Amos gelooft nog in een betere wereld. Als iemand van mening is dat de ene cultuur ‘slechts’ de andere vervangt, en er geen kwalitatief onderscheid is tussen beide’, dan hoeft zij of hij over ‘een trage cultuur’ niet boos te worden. Maar Amos is een idealist en windt zich dus op over wat hij aantreft.

Amos is in beweging. In zijn verhuisdrukte wordt een beroep gedaan op zijn praktische en organisatorische vaardigheden. Die overgang zet zijn leven op z’n kop en die vaart keert ook terug in zijn betoog. Waar Amos voor wil waken is het exces, het keerpunt waarop een cultuur de vruchten plukt van haar beschaving, naar één waarin ze haar idealen verliest, lethargie z’n intrede doet en niets meer voor elkaar krijgt omdat zij zichzelf geen norm of waarde stelt.

De dragers van een cultuur – in geval van Amos zijn dat de notabelen, de artiesten, het koninklijk huis, de aristocratie; beoefenaars van een hoge cultuur – krijgen nog weinig meer voor elkaar. En, als er niet langer iets tot stand wordt gebracht, een mens in haar of zijn pogingen slaagt, dan haalt zij of hij haar of zijn schouders op, verliest haar of zijn geloof, laat de dingen op z’n beloop totdat – voor Amos een schrikbeeld – een mens tot niets meer in staat is. En dus, om met de titel van de Sloveense filosoof en cultuurcriticus Slavoj Žižek te spreken: “Het moet je een reet kunnen schelen!”

Amos beeldt uit wat volgens hem geloof behelst: geloof, dat is geen rustgevende verpozing, het vormt een inbreuk op je oude ‘boerenbestaan’ waardoor je een nieuw perspectief hebt aanvaard en stappen zet om daar gestalte aan te geven. De zorgelozen, zelfverzekerden en notabelen tot wie Amos zich richt, representeren een gebrek dat Amos wil aankaarten en opvullen door hen tot de orde te roepen.

Pastoraal gezien is er voor Amos’ aanpak wat te zeggen: zou je je niet bij het verliezen van je levenslust iemand tegenover je wensen die je uit alle macht aanspreekt, bemoedigt en aan je haren uit het moeras trekt, met beide benen op de grond zet waardoor je leven weer een bepaalde spankracht krijgt?

De gemene deler van onze tekst uit Amos en die van Lucas is het contrast tussen arm en rijk of tussen degene die het voor de wind gaat en degene die het zwaar getroffen heeft. Beide teksten staan kritisch tegenover de positie van de rijke, als die positie met zich meebrengt geen oog meer te hebben voor sociaaleconomisch onrecht. Binnen profetieën, eschatologische en bevrijdingstheologische teksten is een aloude wens dat die indeling ooit omgekeerd zal zijn. Dan eet de rijke man genadebrood en gaat Lazarus gekleed in een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

De parabel richt zich tegen de machthebber die zijn invloed niet gebruikt om sociale ongelijkheid op te heffen en de bestaanscondities van de (kans)armen te verbeteren. Lucas is behalve evangelist ook een profeet in die zin dat hij de rijke in het vooruitzicht stelt dat, zo niet tijdens het aardse leven, dan toch in een hiernamaals, de rollen ooit omgedraaid zullen zijn. De parabel vormt Lucas’ kleine goddelijke komedie waarin hij de welgestelden van zijn tijd in een denkbeeldige reis meevoert van paradijs naar hel en louteringsberg.

Tenslotte, die arme die symbool staat voor alle noodlijdenden en behoeftigen, gaat toch niet sterven voordat zij of hij in haar of zijn leven iets van ‘Gods aangezicht’ heeft aanschouwd? De verzachtende religieuze droom dat engelen de arme zullen dragen in de schoot van Abraham, daar kan de hedendaagse arme haar of zijn lege maag in het alledaagse bestaan toch niet mee vullen?

Voedselbanken, de sociale bijstand, de diaconie zijn initiatieven die op korte termijn goed werk verrichten. Op de lange termijn is een studie nodig, werkgelegenheid, gezondheid, netwerken, het scheppen van mogelijkheden die voor een enkele naaste van grote betekenis kunnen zijn. De arme, hier en nu, heeft meer aan mijn en uw ethiek dan aan religieus opium – die verdoezelt en leidt af.

Goede gemeente, die intieme plaats van beschutting en warmte, Abrahams schoot en dat uitbundige feestje, ik zag hem er laatst, de ‘arme’. Ik herkende hem nauwelijks, hij droeg een driedelig Armani pak en Gucci schoenen.

Amen