Zondag 30 december 2018, ‘Ontmoetingskerk’ Poortvliet & zondag 6 januari 2019, ‘Dorpskerk’ Castricum

Preek naar aanleiding van Nehemia 9:15-20 en Matteüs 14:13-21 uit de Groene Bijbel voor de viering op zondag 30 december 2018 om 10.00 uur in de Ontmoetingskerk te Poortvliet en uit de Naardense Bijbel voor de viering op zondag 6 januari 2019 om 10.00 uur in de Dorpskerk te Castricum

Gemeente,

De tekst uit Nehemia laat zich moeilijk lezen zonder die van Ezra. De boeken Ezra en Nehemia vormen twee aan elkaar gekoppelde treinstellen met coupés waarbinnen zich van alles afspeelt. Wie ze ontkoppelt mist de samenhang. En toch selecteren we een tekstfragment uit dit overkoepelende historische werk.

Wie middenin Nehemia negen stapt is getuige van de geboorte van het Jodendom. Er is een auteur die de sociale en religieuze identiteit van de joden wil tonen. Hij verleent hen een gezicht en een referentiekader: kijk dit zijn wij dan en zo is het gekomen! Eerst is sprake van een boetedoeningsceremonie, de weeën van een religieuze groep mensen, en daarop volgt de ontsluiting, doordat bestuurders contracten tekenen die ervoor zorgen dat de Thora in het dagelijks leven wordt geïntegreerd. Vers vijftien tot twintig is een kruimel uit die boetedoeningsceremonie, waarin een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie, Nehemia, terugblikt op de manier waarop zijn grootouders omgingen met wat hij duidt als ‘religieuze tekenen aan de wand’. Nehemia heeft wellicht wel ‘makkelijk praten’. Hij is van een afstand in de rol van toeschouwer aan het nakaarten. De wereld waarin zijn grootouders zich bevonden en waarin tal van chaotische gebeurtenissen zich afspeelden is achter de rug. Al wat zijn grootouders aan ‘goede gaven’ ten deel viel, leest hij achteraf vanuit zijn vroomheid als ‘uit Gods hand’.

Die grootouders zaten nog in de overgang naar een samenleving die via de decaloog, de Tien geboden, een politiek-religieus georganiseerde vorm kreeg. Een ook die duiding, dat er een transitie gaande was, is een inzicht dat naderhand is verkregen. Die grootouders zelf hadden er geen notie van dat ze zich in een veranderende situatie begaven, die konden daar slechts naar raden. Zij beschikten nog niet over de oriëntatiecoördinaten waar Nehemia wel op kan terugvallen en die hij ook als ‘middel’ zal gebruiken om de periode van ‘voor de wet’ te interpreteren en te bekritiseren. U kunt die verhouding vergelijken met een sportcommentator die vanaf de zijlijn via haar of zijn beschrijvingen en oordelen het spel volgt, maar niet, zoals de spelers, midden op het veld staat. Dáár wordt het spel in al z’n hectiek en dynamiek gespeeld.

Een mens kan zich de vraag stellen hoe een cultuur ontstaat, of men kan spreken van culturele vooruitgang en zo ja, onder welke condities. De perikoop uit Nehemia draagt een voorwaarde aan voor de wording en de progressie van een beschaving namelijk, dat een mens in staat is de eigen cultuur kritisch onder de loep te nemen. Voor Nehemia betekent het dat hij langs de weg van een cultuurkritiek een nieuw element, te weten dat van de religie, introduceert. Hij vindt de joodse religie opnieuw uit, waarmee hij een interpretatiemedium in handen heeft dat hij niet alleen kan cultiveren, maar waarmee hij een geschiedenis ook kan herschrijven.

Wie journalistieke verslaggeving in Nederlandse kwaliteitskranten vergelijkt met de wijze waarop meer dan twee decennia geleden in diezelfde kranten werd geschreven, kan één ding zijn opgevallen. Het lijkt wel alsof naast berichtgeving ook lezer(es)s(en) zelf zich in discussies mengen en zich uitlaten over de manier waarop journalisten verslag doen. De lezer(es) gaat niet meer zo gauw akkoord met de taal die een journalist of columnist hanteert en met de keuzes die zijn gemaakt welk type berichtgeving in een krant op te nemen en welke niet. Zij of hij plaatst vraagtekens bij het format van het medium, omdat het inperkt, afbakent en haar of zijn wereld versmalt, terwijl zij of hij hongert naar dat wat daarbuiten valt.

Een ander voorbeeld waarin ‘de leerling de leraar voorbij is gestreefd’, zijn breed gedragen maatschappelijke debatten over tradities waarin de ethiek haar stem laat horen. De ethiek, de stem van het geweten, kan als spelbreker worden gezien – en dat is ze ook! – en kan ertoe leiden dat een jonge generatie ervoor kiest gebruiken niet langer in stand te houden, omdat ze het kwetsende gehalte ervan voor een minderheidsgroep of de schadelijke gevolgen ervan voor het milieu zwaarder vindt wegen, dan de feestvreugde die met een ritueel gepaard gaat. Je zou dat culturele vooruitgang in negatieve zin kunnen noemen. Generatie Y weet heel goed waartegen ze zich afzet en kan daar redenen voor aandragen. Na dit ‘stadium’ volgt dan vaak een ‘neutrale periode’, waarin op ideeën wordt gereflecteerd die uiteindelijk in een positieve fase hun verwoording in documenten en in handelingen gestalte krijgen.

Nehemia zal uiteindelijk ingehaald worden door mensen die afzien van een historisch-theologisch fundament voor een cultuur en veeleer kijken naar maatschappelijke belangen en het legitimeren van individuele rechten. In dat geval komen religieuze idealen te vervallen die vaak later in bewerkte, meer specifieke, genuanceerde vorm en in combinatie met andere invloedsferen weer voorzichtig worden binnengehaald.

De tekst uit Nehemia kan de vraag oproepen ‘waar wij vandaan komen’ en waar wij ons naartoe bewegen. En wie zijn wij dan? Wie ben ik in dat geheel? Als een tijd niet langer in staat is vragen van komaf en bestemming te beantwoorden, dan bevindt ze zich mogelijk in een staat van nihilisme die leidt tot een cultuur op drift, maar je kunt dat verschijnsel ook anders benaderen.

Generatie Y, een aanduiding voor mensen die na 1980 zijn geboren, heeft geen vertrouwen in ‘grote programma’s’ en ziet weinig in traditionele waarden. Ze is op universiteiten en hogescholen volgestopt met empirie en rede en bekijkt menig verhaal of vertoog met argusogen. Ze is onrustig, leergierig, gedreven, omgevingsbewust, ondernemend, weegt opties af en netwerkt tot ver over de landsgrenzen heen. Ze kiest juist wel voor een huwelijk of kinderen, én voor een academische carrière, een verhuizing naar het buitenland, zet een eigen bedrijf op en combineert meerdere ambities.

Haar engagement ten aanzien van kerk en cultuur is vaak incidenteel en intens. Die levensstijl kun je zien als een gistingsproces, een periode waarin veel gebeurt en wordt verteerd. De plaats die deze generatie ‘leeg laat’ en die door grootouders werd ingevuld met ‘grote verhalen’ is ook heilzaam. Generatie Y laat het wel uit haar hoofd weer een ‘leider’ aan te stellen, een ‘alomvattende visie’ te omarmen en terug te gaan naar de slavernij van Egypte. Die lege ontstane ruimte laat ze niet weer in bezit nemen, maar houdt ze open. Tegelijkertijd wil ze niets liever dan dat er mensen zijn die zich om hen bekommeren, hen in dienst nemen en een duurzame verbinding met hen aangaan. Geen slappe compromissen, geen vrijblijvende vriendschappen, geen half jaar contracten. Generatie Y wil commitment, eeuwige trouw, tot de dood haar scheidt.

Een vraag is hoe deze generatie van tieners, twintigers en dertigers zich oriënteert. Een dertiger die hen voorging en zich ook van veel overtuigingen had ontledigd was Jezus van Nazareth. Toen Jezus, als Nehemia een voorloper van een godsdienstige opwekkingsbeweging, hoort dat zijn tijdgenoot en geestverwant Johannes de Doper is onthoofd zonder een proces en dat dit het gevolg is van een beloofde eed die is afgelegd tijdens een uit de hand gelopen feestje, dan trekt hij zich terug uít de massa om zich te bezinnen, na te denken en te bidden. In wat voor wereld leef ik? Wat is er in mijn cultuur gaande? Door welke sociale wetten wordt mijn cultuur ‘geregeerd’ en gereguleerd dat aan een absurd verzoek – het hoofd van Johannes de Doper op een schaal – wordt voldaan?

Die beslissing van afzondering ten opzichte van een collectief, omdat een mens geschokt is over de effecten van een gewoonte die van de ene generatie op de andere is overgeleverd en die herziening, bijstelling, herijking of afschaffing behoeft, zou je ‘de manifestatie van het koninkrijk van God’ kunnen noemen. Dat is pioniersarbeid, te zagen aan een bepaald type ‘vanzelfsprekendheden’, te breken met denkbeelden en dat is niet in ieder land zonder gevaar voor eigen leven.

Dat isolement of die retraite vormt ook de gelegenheid terug te keren naar oude waarden en het herstel van vormen en stijlen die wellicht te voorbarig en vanuit een te nauw blikveld overboord zijn gekieperd. De geestelijke oefening te leren hoe de eigen cultuur in elkaar steekt en via zelfbepaling te schiften wat daarvan weg kan, welke waarden overeind kunnen blijven, het creëren van een leeg midden en het eventueel ontwerpen van nieuw gedachtegoed is een manifestatie die uitnodigt tot vieren. Het is het spijzigingswonder van de innerlijke, individuele mens die uitkomt bij het delen als levensvorm voor gemeenschap en die brokken brood, bouwstenen biedt voor een leven in de geest.

Amen